Energiehuishouding in de spier

DSC_2902DSC_1636

 

Hoe wordt de energievoorziening in spieren beïnvloed bij een te traag werkende schildklier?

 

Er wordt in de literatuur geschreven over verschillende veranderingen in spieren die kunnen voorkomen bij een te traag werkende schildklier. De verschillende (fysiologische) veranderingen zullen ieder hun eigen verstoring veroorzaken, maar wat is nu het grootste probleem in spieren?

 

In het onderzoek uit 2006 van El Salem et al, wordt gesteld dat de onderliggende oorzaak van de ontregeling in de spieren bij een te traag werkende schildklier voor een groot deel metabolisch is. De verminderde vetstofwisseling en verminderde glycogeenvoorraad in spieren leiden tot een verminderde opbouw van fosfaten, deze fosfaten zijn nodig voor de energievoorziening in spieren (3). Dit heeft tot gevolg dat het lichaam over minder energie kan beschikken bij het gebruiken van spieren. In dit blog zal verder worden ingegaan op de fysiologie van de energievoorziening in spieren.

 

De energievoorziening in de spieren

Het lichaam haalt zijn energie uit het splitsen van energierijke fosfaten (ATP) die overal aanwezig zijn in het lichaam maar vooral in de spieren. De fosfaten geven bij het splitsen hun energie af aan de spiercellen, ATP wordt na het splitsen ADP. Om deze fosfaten weer opnieuw te vormen naar hun oorspronkelijke toestand is weer energie nodig vanuit de verbranding van suikers (glycogeen) of de verbranding van vetzuren in de mitochondria, waarna ze weer kunnen splitsen en hun energie afgeven voor spiercontracties etcetera (1,5) Het vormen en splitsen van fosfaten is een continue proces.

ATP = ADP + P + Energie

 

Splitsing van ATP nader bekeken Bekijk het ATP (Adenosine tri-fosfaat) als een puzzel bestaande uit 3 stukken. Elk puzzelstuk vertegenwoordigd een fosfaatdeeltje. De puzzelstukken passen niet goed in elkaar, dus om ze met elkaar te verbinden is een bindmiddel (energie). Als de losse fosfaatdelen verbinding moeten maken met de twee aan elkaar zittende puzzelstukken, de A2P groep, is energie nodig vanuit de verbranding van vetzuren of koolhydraten. Als er drie puzzelstukken aan elkaar zitten en er dus ATP is ontstaan, kan een fosfaatdeeltje weer loslaten waarbij er weer energie vrijkomt wat gebruikt kan worden in de (spier)cellen. Het hele proces heeft als doel het omvormen van energie die te gebruiken is in onze lichaamscellen. Zoals een benzineauto niet op diesel rijdt, werken onze menselijke cellen op de energie die vrijkomt uit de splitsing van fosfaten, met de directe glucose en vetzuren die worden verbrand kunnen ze niets!

 

Bij vanuit rust in actie komen worden direct fosfaten gesplitst om energie vrij te maken voor de spierwerking. Het lichaam heeft ook een kleine voorraad fosfaten die gelijk gebruikt kunnen worden. Voor kortdurende inspanning is dit voldoende. Als de activiteit langer duurt dan 1 à 2 minuten of intensiever wordt, is meer energie nodig. Het lichaam gaat dan over tot het gebruiken van de suikervoorraad, die opgeslagen ligt in de spieren in de vorm van glycogeen. Dit kan zowel met zuurstof (aeroob), als zonder zuurstof (anaeroob) worden gebruikt en is vooral bedoeld voor de type II vezels (1).

 

Als de circulatie goed opgang is gekomen en er vanuit de longen voldoende zuurstof wordt aangevoerd, gaat de energievoorziening hoofdzakelijk verzorgd worden door omzetting van vetzuren in de mitochondria. Deze energievoorziening wordt gebruikt door de type I vezels bij lage krachtsinspanningen. Er is altijd een kleine hoeveelheid glucose nodig in de mitochondria om de vetzuurverbranding goed te laten verlopen. Als er meer kracht nodig is in spieren en er ook type II vezels gebruikt gaan worden, gebruikt het lichaam automatisch weer het glycogeen in de spieren.

 

Samengevat betekent dit dat de vetzuurverbranding de meest effectieve manier van energieomzetten is in de spieren. Een deeltje vetzuur levert ongeveer drie keer zoveel energie op om ATP op te bouwen ten opzichte van een deeltje glucose.

 

Door een tekort aan energielevering in de spieren kunnen klachten als vermoeidheid in spieren, inspanningsintolerantie en/ of kramp verklaard worden. Voor het aanspannen van spieren is energie nodig maar voor het ontspannen ook. Omdat er naast de juiste hoeveelheid energie ook mineralen nodig zijn voor spiercontractie zoals calcium en magnesium, natrium en kalium, kunnen ook deze mineralen of tekorten hiervan klachten in spieren geven (1).

 

Type I spiervezel = langzame spiervezel, slow twitch Type II spiervezel = snelle spiervezel, fast twitch Spiervezels zijn een onderdeel van dwarsgestreepte spieren. Deze kunnen bewust worden bestuurd. Bron: Wikipedia

 

Literatuur

  1. Inspanningsfysiologie, oefentherapie en training, de Morree, Jongert en van der Poel.Tweede herziene druk, 2011.
  2. Inspannings- en sportfysiologie, J.H.Wilmore, PhD. D.L. Costill, PhD. (Vertaling door G.M. van der Poel.
  3. Neurophysiological changes in neurologically asymptomatic hypothyroid patients: a prospective cohort study, Khalid El Salem, Fawaz Ammari, Journal of clinical neurophysiology, volume 23, number 6, December 2006
  4. Trage Schildklier verandert Spieren, blog Petra Romijn-Müller
  5. Inspannings- en sportfysiologie, J.H. Wilmore (PhD), D.L.Costill (PhD). Vertaald door G.M. van der Poel.


 


 

Add a Comment